“Hij zegt nooit dat hij van ons houdt.”
“Ze geeft me zelden een knuffel.”
“Soms lijkt het alsof hij helemaal geen behoefte heeft aan contact.”
Het zijn uitspraken die ik regelmatig hoor van ouders van jongeren met een autismespectrumstoornis (ASS). Ze raken me telkens opnieuw. Niet alleen omdat ik de bezorgdheid begrijp, maar ook omdat achter die woorden vaak een diep verdriet schuilt. Ouders verlangen naar kleine tekenen van verbondenheid: een spontane knuffel, een “ik zie je graag”, een glimlach of een arm om hun schouder. Wanneer die uitblijven, kan dat voelen alsof er een onzichtbare muur tussen hen en hun kind staat.
Toch is die conclusie meestal niet terecht. Want ASS en affectie gaan zéker wel samen.
Veel jongeren met ASS ervaren net zo goed liefde, verbondenheid en genegenheid als leeftijdsgenoten. Ze verlangen naar veilige relaties, willen erbij horen en hechten zich aan de mensen die belangrijk voor hen zijn. Alleen verloopt de manier waarop ze die gevoelens beleven of tonen vaak anders. Waar de ene jongere spontaan een knuffel geeft, kiest een andere ervoor om naast je op de zetel te komen zitten. Sommigen maken zonder iets te zeggen je favoriete kop thee, sturen een grappig filmpje door of vertellen enthousiast over hun nieuwste interesse. Voor hen zijn dat misschien wel de meest oprechte manieren om te zeggen: “Ik ben graag bij jou.”
Net daar ontstaan vaak misverstanden. Ouders kijken onbewust door een neurotypische bril naar signalen van affectie, terwijl hun zoon of dochter misschien een heel andere ’taal van verbondenheid’ spreekt. Daardoor kunnen beide partijen zich onbegrepen voelen. De ouder verlangt naar meer warmte, terwijl de jongere denkt dat hij of zij die warmte al lang laat zien.
Daar komt nog bij dat jongeren met ASS vaak te maken hebben met bijkomende uitdagingen. Prikkels kunnen lichamelijk contact onaangenaam maken, emoties zijn soms moeilijk te herkennen of onder woorden te brengen en subtiele sociale signalen worden niet altijd vanzelf opgepikt. Dat betekent echter niet dat er minder gevoelens zijn. Integendeel: veel jongeren ervaren emoties juist heel intens, maar vinden het moeilijk om die op een manier te uiten die anderen herkennen.
In deze blog kijken we daarom verder dan het stereotype beeld dat mensen met autisme ‘afstandelijk’ of ‘ongevoelig’ zouden zijn. We onderzoeken wat affectie eigenlijk is, waarom jongeren met ASS die soms anders tonen en – vooral – hoe je als ouder die signalen beter kunt leren herkennen en begrijpen.
Want misschien is de belangrijkste vraag niet: “Waarom toont mijn kind zo weinig affectie?”
Maar eerder:
“Herken ik de manier waarop mijn kind affectie toont?”
Dat verschil lijkt klein, maar kan een wereld van verschil maken voor de relatie tussen ouder en jongere. Bij AURYN geloven we namelijk dat echte verbinding niet ontstaat door jongeren te leren zich “normaler” te gedragen, maar door elkaar beter te leren begrijpen. Dat vormt ook de basis van onze begeleiding: bouwen aan relaties waarin iedereen zich gezien, begrepen en aanvaard voelt.
Hersenstichting over ASS: wat is het precies?
Inhoudsopgave van dit artikel
ToggleWat verstaan we eigenlijk onder affectie?
Wanneer we het over affectie hebben, denken de meeste mensen spontaan aan een knuffel, een kus of de woorden “Ik hou van jou.” Dat zijn inderdaad duidelijke vormen van genegenheid, maar ze vormen slechts een klein deel van wat affectie werkelijk betekent.
Affectie is veel breder dan lichamelijk contact of liefde uitspreken. Het gaat over de manier waarop mensen zich met elkaar verbonden voelen en die verbondenheid laten zien. Dat kan door aandacht te geven, interesse te tonen, voor elkaar te zorgen, samen plezier te maken of gewoon aanwezig te zijn wanneer de ander je nodig heeft. Affectie is in essentie een manier om te laten voelen: “Jij bent belangrijk voor mij.”
Binnen gezinnen uit zich dat op talloze manieren. Een ouder die elke ochtend een boterham smeert voor zijn kind, toont affectie. Een tiener die spontaan de hond uitlaat omdat hij weet dat mama moe is, doet dat misschien ook vanuit verbondenheid. Een broer die zijn zus helpt met een moeilijke opdracht of een dochter die haar vader een grappig filmpje doorstuurt omdat ze weet dat hij ermee zal lachen: ook dat zijn vormen van affectie.
We zijn ons daar alleen niet altijd van bewust. We hebben vaak een bepaald beeld van hoe liefde en genegenheid eruit horen te zien. Wie niet graag knuffelt of weinig complimenten geeft, wordt al snel als afstandelijk gezien. Terwijl iedereen zijn eigen manier heeft om verbondenheid te tonen.
Psychologen spreken soms over verschillende manieren waarop mensen affectie uiten. Sommige mensen doen dat vooral met woorden, anderen via lichamelijk contact. Weer anderen tonen hun betrokkenheid door tijd vrij te maken, hulp te bieden of kleine attenties te geven. Geen enkele vorm is beter dan een andere. Ze vertellen allemaal hetzelfde verhaal, alleen in een andere taal.
Dat sluit mooi aan bij wat we weten over hechting. Een veilige hechtingsrelatie ontstaat niet doordat een ouder voortdurend knuffelt of complimenten geeft. Ze groeit wanneer een kind zich gezien, gehoord en veilig voelt. Door consequent beschikbaar te zijn, emoties serieus te nemen en betrouwbaar te reageren, leert een jongere dat hij op zijn ouders kan vertrouwen. Affectie vormt daarin een belangrijk onderdeel, maar krijgt in elk gezin een eigen invulling.
Bij jongeren met ASS is dat niet anders. Ook zij hebben behoefte aan veiligheid, verbondenheid en mensen op wie ze kunnen rekenen. Alleen kan de manier waarop zij die verbondenheid uiten of ervaren verschillen van wat hun omgeving verwacht. Wie alleen let op knuffels of lieve woorden, mist soms de vele subtiele signalen waarmee een jongere eigenlijk zegt: “Ik ben graag bij jou.”
Daarom is het belangrijk om eerst onze eigen definitie van affectie te verruimen. Pas wanneer we verder kijken dan de klassieke vormen van genegenheid, kunnen we de unieke manier waarop een jongere met ASS verbinding maakt echt leren herkennen en waarderen. Dat vormt de basis voor wederzijds begrip en een warme relatie waarin zowel ouder als jongere zich gezien voelt.
Hebben jongeren met ASS behoefte aan affectie?
Het korte antwoord is eenvoudig: ja.
Ondanks hardnekkige misverstanden hebben jongeren met een autismespectrumstoornis evenzeer behoefte aan liefde, verbondenheid en betekenisvolle relaties als ieder ander. Ze willen vrienden, een gezin waarin ze zich veilig voelen, mensen die hen begrijpen en – op termijn – vaak ook een partner met wie ze hun leven kunnen delen. Het idee dat mensen met autisme geen behoefte zouden hebben aan affectie, is gelukkig al jarenlang weerlegd door wetenschappelijk onderzoek.
Toch blijft dit misverstand bestaan. Dat komt vooral doordat affectie bij jongeren met ASS niet altijd zichtbaar is op de manier die hun omgeving verwacht. Wanneer een tiener weinig oogcontact maakt, lichamelijk contact vermijdt of zelden spontaan zegt dat hij iemand graag ziet, trekken mensen soms ten onrechte de conclusie dat hij weinig gevoelens heeft. In werkelijkheid zegt dit veel meer over de manier waarop affectie wordt geuit dan over de aanwezigheid ervan.
Onderzoek toont aan dat veel mensen met ASS juist sterke emotionele banden aangaan met ouders, broers, zussen, vrienden en partners. Ze ervaren verdriet wanneer een relatie onder druk staat, voelen zich eenzaam wanneer ze geen aansluiting vinden en verlangen naar wederzijds begrip. Verschillende studies laten zelfs zien dat gevoelens van eenzaamheid relatief vaak voorkomen bij jongeren met ASS, juist omdat ze behoefte hebben aan contact maar moeite ervaren om relaties op te bouwen of te onderhouden.
Dat verschil tussen gevoelens hebben en gevoelens tonen is cruciaal. Een jongere kan ontzettend veel om zijn ouders geven zonder dat dagelijks uit te spreken. Hij kan diep geraakt zijn wanneer een vriend boos op hem is, maar niet goed weten hoe hij dat moet laten zien. Of hij kan verlangen naar een romantische relatie, terwijl hij geen idee heeft hoe hij iemand moet laten merken dat hij verliefd is.
Daarnaast speelt ook de omgeving een rol. Wanneer een jongere meerdere keren negatieve ervaringen heeft gehad – bijvoorbeeld omdat hij sociale signalen verkeerd inschatte of zich afgewezen voelde – kan hij ervoor kiezen om gevoelens minder zichtbaar te tonen. Niet omdat hij niets voelt, maar omdat hij zichzelf probeert te beschermen tegen teleurstelling of onbegrip.
Dat betekent niet dat elke jongere met ASS dezelfde behoefte aan nabijheid heeft. Net zoals bij neurotypische jongeren bestaan er grote individuele verschillen. De ene jongere houdt van een stevige knuffel, de andere voelt zich prettiger wanneer iemand gewoon rustig naast hem komt zitten. Sommigen zoeken veel sociaal contact, anderen hebben meer behoefte aan tijd alleen. Autisme bepaalt immers niet de persoonlijkheid van een jongere.
Als ouder is het daarom belangrijk om nieuwsgierig te blijven. Niet door jezelf af te vragen: “Waarom toont mijn kind zo weinig liefde?”, maar door te onderzoeken: “Hoe laat mijn kind eigenlijk zien dat ik belangrijk voor hem ben?” Die kleine verschuiving in perspectief opent vaak de deur naar een heel andere manier van kijken.
Binnen AURYN vertrekken we daarom nooit vanuit het idee dat jongeren met ASS moeten leren om affectie op een ‘normale’ manier te tonen. We vertrekken vanuit hun eigen mogelijkheden en voorkeuren. Samen ontdekken we welke vormen van verbondenheid natuurlijk aanvoelen en hoe jongeren die op een manier kunnen uiten die zowel voor henzelf als voor hun omgeving begrijpelijk is. Want echte verbinding ontstaat niet door iemand te veranderen, maar door elkaar beter te leren verstaan.
Waarom tonen sommige jongeren met ASS minder affectie?
Wanneer ouders merken dat hun zoon of dochter weinig initiatief neemt om affectie te tonen, ontstaat al snel de vraag: “Waarom doet hij dat niet?” Het antwoord is zelden eenvoudig. Niet omdat jongeren met ASS minder liefde voelen, maar omdat verschillende kenmerken van autisme invloed kunnen hebben op de manier waarop gevoelens worden beleefd, verwerkt en geuit.
Belangrijk om te benadrukken is dat niet elke jongere met ASS dezelfde moeilijkheden ervaart. Autisme is een spectrum, wat betekent dat de verschillen tussen jongeren vaak groter zijn dan de overeenkomsten. De volgende factoren kunnen een rol spelen, maar zijn nooit bij iedereen aanwezig.
Sensorische prikkelverwerking
Voor veel jongeren met ASS voelt lichamelijk contact anders aan dan voor de meeste mensen. Een knuffel die voor de ene persoon warm en geruststellend is, kan voor een ander overweldigend of zelfs onaangenaam aanvoelen. De druk van een omhelzing, de warmte van een lichaam of onverwacht aangeraakt worden kan zoveel prikkels geven dat de jongere zich eerder gespannen dan verbonden voelt.
Dat betekent niet dat hij geen behoefte heeft aan nabijheid. Soms voelt een korte schouderklop prettiger dan een lange knuffel. Of kiest hij ervoor om dicht naast iemand te zitten zonder fysiek contact te maken. De behoefte aan verbinding blijft bestaan, alleen krijgt die een andere vorm.
Sociale informatieverwerking
In sociale situaties gebeurt ontzettend veel tegelijk. Gezichtsuitdrukkingen, stemintonatie, lichaamstaal en de context van een gesprek moeten allemaal in een fractie van een seconde worden verwerkt. Voor jongeren met ASS vraagt dat vaak veel meer mentale energie.
Daardoor kunnen subtiele signalen van affectie gemakkelijker gemist worden. Een ouder verwacht misschien dat zijn kind ziet dat hij behoefte heeft aan een knuffel, terwijl de jongere die behoefte eenvoudigweg niet opmerkt. Niet uit onwil, maar omdat de signalen minder vanzelfsprekend worden verwerkt.
Theory of Mind: de binnenwereld van de ander begrijpen
Je hebt misschien al eens gehoord van de term Theory of Mind. Hiermee bedoelen psychologen het vermogen om te beseffen dat andere mensen gedachten, gevoelens en verwachtingen hebben die kunnen verschillen van die van jezelf.
Vroeger werd vaak gezegd dat mensen met ASS hier nauwelijks toe in staat zijn. Vandaag weten we dat dit beeld veel te zwart-wit is. Veel jongeren met ASS kunnen zich zeker in anderen verplaatsen, maar hebben soms meer tijd, expliciete informatie of duidelijke communicatie nodig om sociale situaties goed te begrijpen.
Dat kan invloed hebben op affectie. Wanneer een ouder stilletjes hoopt op een spontane knuffel, maar dit nooit uitspreekt, merkt de jongere dat misschien helemaal niet op. Niet omdat hij ongeïnteresseerd is, maar omdat impliciete verwachtingen minder gemakkelijk worden opgepikt.
Alexithymie: gevoelens moeilijk onder woorden brengen
Bij een deel van de mensen met ASS komt alexithymie voor. Dat is geen onderdeel van autisme zelf, maar een eigenschap die relatief vaak samen voorkomt.
Mensen met alexithymie ervaren emoties wel, maar vinden het lastig om precies te herkennen wat ze voelen of om daar woorden aan te geven. Ze weten bijvoorbeeld dat er “iets” speelt, maar kunnen moeilijk onderscheiden of het gaat om verdriet, spanning, teleurstelling of verliefdheid.
Dat maakt het vanzelfsprekend ook moeilijker om gevoelens met anderen te delen. Een jongere kan enorm trots zijn op zijn moeder of veel liefde voelen voor zijn gezin, zonder goed te weten hoe hij dat moet verwoorden.
Executieve functies
Ook de executieve functies spelen soms een rol. Deze hersenfuncties helpen ons om gedrag te plannen, initiatief te nemen en acties op het juiste moment uit te voeren.
Een jongere kan bijvoorbeeld oprecht denken: “Ik wil straks mama een knuffel geven.” Vervolgens gebeurt er iets anders, raakt hij afgeleid of verdwijnt het voornemen naar de achtergrond. Van buitenaf lijkt het alsof hij geen interesse toont, terwijl het idee er wel degelijk was.
Dit zie je ook bij kleine gebaren. Een verjaardag vergeten, geen berichtje sturen of niet spontaan vragen hoe iemands dag was, hoeft helemaal niet te betekenen dat iemand onverschillig is. Soms vraagt het simpelweg veel meer mentale inspanning om zulke sociale gewoontes spontaan uit te voeren.
Kijk voorbij het gedrag
Wanneer we deze factoren samen bekijken, wordt duidelijk waarom het gevaarlijk is om gedrag rechtstreeks te vertalen naar gevoelens. Een jongere die weinig knuffelt, weinig oogcontact maakt of zelden zegt dat hij iemand graag ziet, houdt daarom niet minder van zijn ouders. Zijn manier van voelen en communiceren verloopt gewoon anders.
Dat vraagt soms een andere blik van de omgeving. Niet alleen kijken naar wat een jongere doet, maar vooral proberen te begrijpen waarom hij het doet. Vanuit die nieuwsgierigheid ontstaat ruimte voor wederzijds begrip. En precies daar begint echte verbinding.
ASS en affectie: Hoe tonen jongeren liefde?
Wanneer ouders aan affectie denken, zien ze vaak een warme knuffel, een spontane “ik hou van jou” of een arm om de schouder. Dat zijn mooie en herkenbare vormen van verbondenheid, maar zeker niet de enige. Voor veel jongeren met ASS ziet liefde er simpelweg anders uit.
Dat maakt dit misschien wel het belangrijkste hoofdstuk van deze blog.
Want zodra ouders leren kijken naar de eigen ‘liefdestaal’ van hun kind, verandert vaak ook hun beleving van de relatie. Ze ontdekken dat hun zoon of dochter misschien al jarenlang affectie toont, alleen op een manier die minder opvalt.
Affectie zit soms in kleine, dagelijkse gebaren
Een jongere met ASS zal niet altijd uit zichzelf vertellen hoeveel iemand voor hem betekent. Toch kan hij op talloze manieren laten zien dat die persoon belangrijk voor hem is.
Misschien komt hij elke avond even naast je op de zetel zitten zonder veel te zeggen. Voor hem is dat geen stilte, maar een manier om nabijheid te zoeken.
Of misschien stuurt hij je regelmatig filmpjes, weetjes of foto’s over zijn favoriete onderwerp. Waar een ouder denkt: “Waarom stuurt hij alweer iets over treinen of dinosaurussen?”, bedoelt de jongere eigenlijk: “Ik wil dit graag met jou delen, omdat jij belangrijk voor mij bent.”
Veel jongeren laten hun betrokkenheid ook zien door iets te doen voor een ander. Ze zetten zonder vragen de vuilnisbak buiten, maken een kop thee, helpen met de computer of herinneren je eraan dat je iets niet mag vergeten. Dat zijn geen toevallige handelingen, maar vaak oprechte pogingen om zorg te dragen voor iemand die ze graag zien.
Samen iets doen zegt soms meer dan duizend woorden
Voor sommige jongeren is samen tijd doorbrengen de meest natuurlijke vorm van affectie.
Dat kan heel eenvoudig zijn:
- samen een videogame spelen;
- naast elkaar een film kijken;
- een wandeling maken zonder veel te praten;
- samen bouwen, tekenen of koken;
- dezelfde hobby delen.
Waar ouders soms wachten op een gesprek over gevoelens, ervaart de jongere juist tijdens zo’n gezamenlijke activiteit de meeste verbondenheid. Niet omdat woorden onbelangrijk zijn, maar omdat samen iets doen veiliger en natuurlijker aanvoelt.
Loyaliteit als teken van liefde
Een eigenschap die veel ouders herkennen, is de enorme loyaliteit van hun zoon of dochter.
Veel jongeren met ASS zijn eerlijk, betrouwbaar en trouw aan de mensen die belangrijk voor hen zijn. Ze houden zich aan afspraken, verdedigen vrienden wanneer dat nodig is en blijven vaak lang betrokken bij mensen met wie ze een sterke band hebben opgebouwd.
Die trouw wordt niet altijd als affectie herkend, terwijl het misschien wel één van de krachtigste vormen ervan is.
Interesse tonen op hun eigen manier
Sommige jongeren onthouden verrassend veel details over de mensen van wie ze houden.
Ze weten precies welk koekje jij het lekkerst vindt.
Ze herinneren zich wanneer je een belangrijke afspraak hebt.
Ze leggen je telefoon alvast aan de oplader.
Ze brengen je jas wanneer ze merken dat je het koud hebt.
Het zijn kleine gebaren die gemakkelijk over het hoofd worden gezien, maar waarin veel zorg en aandacht schuilgaat.
Niet iedereen toont affectie op dezelfde manier
Net zoals neurotypische jongeren verschillen ook jongeren met ASS enorm van elkaar. De ene houdt van lichamelijk contact, de andere helemaal niet. Sommigen praten graag over gevoelens, terwijl anderen zich veel gemakkelijker uitdrukken via hun gedrag.
Daarom is het belangrijk om voorzichtig te zijn met algemene uitspraken. Niet elke jongere met ASS zal de voorbeelden uit dit hoofdstuk herkennen. Wat ze wel gemeen hebben, is dat hun manier van affectie tonen soms minder vanzelfsprekend wordt opgemerkt door hun omgeving.
Leer kijken naar wat er wél is
Als ouder kan het helpen om jezelf regelmatig de vraag te stellen:
“Hoe laat mijn kind vandaag zien dat ik belangrijk voor hem of haar ben?”
Dat antwoord zal misschien niet altijd bestaan uit een knuffel of lieve woorden. Misschien zit het in een kop koffie die plots voor je klaarstaat. In een berichtje met een grappige meme. In een videogame die jullie samen spelen. Of gewoon in het feit dat je zoon of dochter ervoor kiest om tijd met je door te brengen.
Wanneer je die signalen leert herkennen, verandert er vaak iets fundamenteels. Je kijkt niet langer naar wat er ontbreekt, maar naar wat er al aanwezig is. En precies daar groeit wederzijds begrip. Niet doordat de jongere zich anders moet gedragen, maar doordat ouder en kind elkaars manier van verbondenheid beter leren verstaan.
Waarom ontstaan er zo vaak misverstanden?
Misschien herken je dit wel.
Een moeder vertelt tijdens een coachingsgesprek:
“Mijn zoon is zestien. Hij heeft me al maanden geen knuffel meer gegeven. Soms vraag ik me af of hij nog wel graag thuis is.”
Wanneer ik de jongere later spreek, vertelt hij iets heel anders.
“Ik maak elke avond thee voor mama als ze thuiskomt. Dan weet ze toch dat ik haar graag zie?”
Twee mensen. Twee totaal verschillende belevingen. En toch hebben ze het allebei over precies hetzelfde: affectie.
Het probleem is niet dat er geen liefde of verbondenheid is. Het probleem is dat ouder en jongere vaak een andere ’taal’ spreken.
We zien vooral wat we verwachten te zien
Als mensen interpreteren we gedrag voortdurend. Dat doen we automatisch. We geven betekenis aan een glimlach, een knuffel of een compliment. Maar net daar schuilt ook een valkuil.
Wanneer wij verwachten dat liefde eruitziet als een spontane knuffel of een uitgesproken “Ik hou van jou”, lopen we het risico andere vormen van affectie niet meer op te merken. We kijken als het ware door onze eigen bril naar het gedrag van de ander.
Dat gebeurt niet alleen bij jongeren met ASS. Ook tussen partners, vrienden en collega’s ontstaan misverstanden doordat mensen op een verschillende manier laten zien dat ze om elkaar geven. Bij autisme worden die verschillen vaak nog duidelijker zichtbaar.
Onuitgesproken verwachtingen
Veel gezinnen communiceren verrassend weinig over affectie. Er zijn allerlei verwachtingen, maar die worden zelden hardop uitgesproken.
Een ouder denkt:
“Als hij mij graag ziet, komt hij dat vanzelf tonen.”
De jongere denkt:
“Ik help elke dag in huis. Natuurlijk weet mama dat ik haar graag zie.”
Beiden zijn ervan overtuigd dat ze duidelijk zijn. En toch voelen ze zich allebei niet begrepen.
Dat is niemand zijn schuld. Het laat vooral zien hoe belangrijk het is om verwachtingen bespreekbaar te maken.
Letterlijk versus impliciet
Veel jongeren met ASS begrijpen expliciete boodschappen uitstekend. Wat moeilijker kan zijn, zijn de onuitgesproken sociale regels die voor veel mensen vanzelfsprekend lijken.
Wanneer een ouder zegt:
“Je hoeft mij geen knuffel te geven.”
maar ondertussen eigenlijk hoopt dat de jongere het toch doet, ontstaat er verwarring.
De jongere hoort precies wat er gezegd wordt en handelt daar ook naar. De ouder ervaart vervolgens teleurstelling omdat de achterliggende wens niet werd opgepikt.
Duidelijke communicatie voorkomt veel van dit soort misverstanden.
Leer elkaars manier van affectie kennen
In plaats van elkaar te beoordelen op wat ontbreekt, helpt het om nieuwsgierig te worden naar wat er wél gebeurt.
Vraag jezelf bijvoorbeeld eens af:
- Hoe laat mijn kind zien dat ik belangrijk ben?
- Wanneer zoekt mijn kind uit zichzelf contact?
- Op welke momenten zie ik zorg of betrokkenheid?
- Welke kleine gebaren vallen mij misschien niet meer op?
En stel dezelfde nieuwsgierige vragen aan je zoon of dochter.
“Wanneer voel jij je dicht bij mij?”
“Hoe laat jij zien dat je iemand graag ziet?”
“Waar voel jij je prettig bij?”
Vaak ontstaan tijdens zulke gesprekken verrassende inzichten. Jongeren vertellen soms dat ze bewust naast hun ouders komen zitten, hun favoriete koekjes meenemen of helpen in huis omdat ze zich zo verbonden voelen. Ouders hadden die signalen eenvoudigweg nooit als affectie herkend.
Verbinding begint met begrip
Binnen AURYN proberen we daarom nooit één juiste manier van affectie aan te leren. Het doel is niet dat elke jongere spontaan leert knuffelen of voortdurend gevoelens gaat uitspreken.
Het doel is veel mooier.
We helpen jongeren én ouders om elkaars manier van verbondenheid te leren herkennen. Want wanneer beide partijen dezelfde ’taal’ beginnen te begrijpen, verdwijnen veel frustraties vanzelf.
Dat betekent niet dat er nooit meer misverstanden zullen zijn. Wel dat er ruimte ontstaat voor nieuwsgierigheid in plaats van teleurstelling. En precies daar groeit een relatie waarin ouder en jongere zich allebei gezien, gehoord en gewaardeerd voelen.
Deze blog maakt deel uit van een reeks. Lees hier het tweede deel.
💚 Welkom bij Auryn
Herken je jouw zoon of dochter in dit verhaal?
Bij AURYN geloven we dat jongeren met ASS niet hoeven te veranderen om erbij te horen. Wel kunnen ze leren hoe ze op een manier die bij hen past verbinding maken met anderen. Tegelijk helpen we ouders om de unieke manier waarop hun kind affectie toont beter te begrijpen.
Binnen het één-op-één traject rond ASS werken we aan sociale relaties, emotieregulatie, vriendschap, verbondenheid en het herkennen én uiten van affectie. Steeds op het tempo van de jongere, met respect voor zijn of haar persoonlijkheid en neurodiversiteit.
Wil je meer weten over dit traject? Bekijk onze trajectenpagina of schrijf je vrijblijvend in op de wachtlijst. Samen bouwen we stap voor stap aan meer begrip, verbinding en vertrouwen. 💚

