Mijn kind met ASS knuffelt nooit. Betekent dat dat het minder van ons houdt?

28 juni 2026

“Hij zegt nooit dat hij van ons houdt.”

“Ze geeft me zelden een knuffel.”

“Soms lijkt het alsof hij helemaal geen behoefte heeft aan contact.”

Het zijn uitspraken die ik regelmatig hoor van ouders van jongeren met een autismespectrumstoornis (ASS). Ze raken me telkens opnieuw. Niet alleen omdat ik de bezorgdheid begrijp, maar ook omdat achter die woorden vaak een diep verdriet schuilt. Ouders verlangen naar kleine tekenen van verbondenheid: een spontane knuffel, een “ik zie je graag”, een glimlach of een arm om hun schouder. Wanneer die uitblijven, kan dat voelen alsof er een onzichtbare muur tussen hen en hun kind staat.

Toch is die conclusie meestal niet terecht. Want ASS en affectie gaan zéker wel samen.

Veel jongeren met ASS ervaren net zo goed liefde, verbondenheid en genegenheid als leeftijdsgenoten. Ze verlangen naar veilige relaties, willen erbij horen en hechten zich aan de mensen die belangrijk voor hen zijn. Alleen verloopt de manier waarop ze die gevoelens beleven of tonen vaak anders. Waar de ene jongere spontaan een knuffel geeft, kiest een andere ervoor om naast je op de zetel te komen zitten. Sommigen maken zonder iets te zeggen je favoriete kop thee, sturen een grappig filmpje door of vertellen enthousiast over hun nieuwste interesse. Voor hen zijn dat misschien wel de meest oprechte manieren om te zeggen: “Ik ben graag bij jou.”

Net daar ontstaan vaak misverstanden. Ouders kijken onbewust door een neurotypische bril naar signalen van affectie, terwijl hun zoon of dochter misschien een heel andere ’taal van verbondenheid’ spreekt. Daardoor kunnen beide partijen zich onbegrepen voelen. De ouder verlangt naar meer warmte, terwijl de jongere denkt dat hij of zij die warmte al lang laat zien.

Daar komt nog bij dat jongeren met ASS vaak te maken hebben met bijkomende uitdagingen. Prikkels kunnen lichamelijk contact onaangenaam maken, emoties zijn soms moeilijk te herkennen of onder woorden te brengen en subtiele sociale signalen worden niet altijd vanzelf opgepikt. Dat betekent echter niet dat er minder gevoelens zijn. Integendeel: veel jongeren ervaren emoties juist heel intens, maar vinden het moeilijk om die op een manier te uiten die anderen herkennen.

In deze blog kijken we daarom verder dan het stereotype beeld dat mensen met autisme ‘afstandelijk’ of ‘ongevoelig’ zouden zijn. We onderzoeken wat affectie eigenlijk is, waarom jongeren met ASS die soms anders tonen en – vooral – hoe je als ouder die signalen beter kunt leren herkennen en begrijpen.

Want misschien is de belangrijkste vraag niet: “Waarom toont mijn kind zo weinig affectie?”

Maar eerder:

“Herken ik de manier waarop mijn kind affectie toont?”

Dat verschil lijkt klein, maar kan een wereld van verschil maken voor de relatie tussen ouder en jongere. Bij AURYN geloven we namelijk dat echte verbinding niet ontstaat door jongeren te leren zich “normaler” te gedragen, maar door elkaar beter te leren begrijpen. Dat vormt ook de basis van onze begeleiding: bouwen aan relaties waarin iedereen zich gezien, begrepen en aanvaard voelt.

Hersenstichting over ASS: wat is het precies?

Wat verstaan we eigenlijk onder affectie?

Wanneer we het over affectie hebben, denken de meeste mensen spontaan aan een knuffel, een kus of de woorden “Ik hou van jou.” Dat zijn inderdaad duidelijke vormen van genegenheid, maar ze vormen slechts een klein deel van wat affectie werkelijk betekent.

Affectie is veel breder dan lichamelijk contact of liefde uitspreken. Het gaat over de manier waarop mensen zich met elkaar verbonden voelen en die verbondenheid laten zien. Dat kan door aandacht te geven, interesse te tonen, voor elkaar te zorgen, samen plezier te maken of gewoon aanwezig te zijn wanneer de ander je nodig heeft. Affectie is in essentie een manier om te laten voelen: “Jij bent belangrijk voor mij.”

Binnen gezinnen uit zich dat op talloze manieren. Een ouder die elke ochtend een boterham smeert voor zijn kind, toont affectie. Een tiener die spontaan de hond uitlaat omdat hij weet dat mama moe is, doet dat misschien ook vanuit verbondenheid. Een broer die zijn zus helpt met een moeilijke opdracht of een dochter die haar vader een grappig filmpje doorstuurt omdat ze weet dat hij ermee zal lachen: ook dat zijn vormen van affectie.

We zijn ons daar alleen niet altijd van bewust. We hebben vaak een bepaald beeld van hoe liefde en genegenheid eruit horen te zien. Wie niet graag knuffelt of weinig complimenten geeft, wordt al snel als afstandelijk gezien. Terwijl iedereen zijn eigen manier heeft om verbondenheid te tonen.

Psychologen spreken soms over verschillende manieren waarop mensen affectie uiten. Sommige mensen doen dat vooral met woorden, anderen via lichamelijk contact. Weer anderen tonen hun betrokkenheid door tijd vrij te maken, hulp te bieden of kleine attenties te geven. Geen enkele vorm is beter dan een andere. Ze vertellen allemaal hetzelfde verhaal, alleen in een andere taal.

Dat sluit mooi aan bij wat we weten over hechting. Een veilige hechtingsrelatie ontstaat niet doordat een ouder voortdurend knuffelt of complimenten geeft. Ze groeit wanneer een kind zich gezien, gehoord en veilig voelt. Door consequent beschikbaar te zijn, emoties serieus te nemen en betrouwbaar te reageren, leert een jongere dat hij op zijn ouders kan vertrouwen. Affectie vormt daarin een belangrijk onderdeel, maar krijgt in elk gezin een eigen invulling.

Bij jongeren met ASS is dat niet anders. Ook zij hebben behoefte aan veiligheid, verbondenheid en mensen op wie ze kunnen rekenen. Alleen kan de manier waarop zij die verbondenheid uiten of ervaren verschillen van wat hun omgeving verwacht. Wie alleen let op knuffels of lieve woorden, mist soms de vele subtiele signalen waarmee een jongere eigenlijk zegt: “Ik ben graag bij jou.”

Daarom is het belangrijk om eerst onze eigen definitie van affectie te verruimen. Pas wanneer we verder kijken dan de klassieke vormen van genegenheid, kunnen we de unieke manier waarop een jongere met ASS verbinding maakt echt leren herkennen en waarderen. Dat vormt de basis voor wederzijds begrip en een warme relatie waarin zowel ouder als jongere zich gezien voelt.

Hebben jongeren met ASS behoefte aan affectie?